Lichamelijk onderzoek – waar doet het pijn?
De arts bekijkt eerst uw schouders, uw nek, uw rug en uw beide armen en tast daarbij verschillende structuren af. Vervolgens voert hij een aantal bewegingstests uit, om zich een beeld te verschaffen van de beweeglijkheid van het schoudergewricht. Hij controleert of verschillende bewegingen in het schoudergewricht pijnlijk zijn, zoals spreiden, draaien en optillen.
Röntgen – uw schouder in beeld
Op de röntgenfoto herkent de arts veranderingen, die bij een schouderartrose optreden: De gewrichtsspleet tussen bovenarmkop en schouderkom is door het kraakbeenverlies ongelijkmatig, smaller geworden of zelfs helemaal verdwenen. De botstructuur van bovenarmkop en schouderkom ziet er onregelmatig en veranderd uit, in het eindstadium komt het tot een vervorming van de gewrichtsdelen.
Voorlichtingsgesprek – gelegenheid voor al uw vragen
Meestal zal de chirurg op de dag voor de operatie een voorlichtingsgesprek met u voeren. Daarbij legt hij u de operatiemethode uit en welk soort prothese er wordt gebruikt. De keuze van het juiste model prothese is afhankelijk van de kwaliteit van uw bot, van uw lichaamsgewicht en van uw lichamelijke activiteit. Meestal heeft de chirurg daarom van tevoren al aan de hand van de röntgenfoto en uw gegevens het prothesemodel en de wijze van bevestiging vastgesteld. → Hoe werkt een kunstmatig schoudergewricht?
Ook de anesthesist zal op de dag voor de operatie een gesprek met u voeren, om het met u te hebben over eventuele risico’s voor de narcose. Hij zal ook een paar kleine onderzoeken uitvoeren; daarbij zal zijn interesse vooral uitgaan naar de functie van hart en longen en naar mogelijke allergieën. Dan zal hij met u de narcose bespreken.